Als het aan Thierry Aartsen (VVD), minister van Werk en Participatie, ligt, maakt het kabinet haast met het invoeren van een rechtsvermoeden van werknemerschap onder een bepaald uurtarief. Dit liet Aartsen op vrijdag 6 maart weten aan de Tweede Kamer. Zzp’ers die onder de 38 euro per uur werken, kunnen dan makkelijker via de rechter aanspraak maken op een arbeidsovereenkomst. Maar zoals wel vaker het geval is met het zzp-dossier, krijgt dit voorstel te maken met een hardnekkig misverstand. Op sociale media circuleert het beeld dat er een harde knip komt: onder de 38 euro per uur ben je werknemer, daarboven ben je bij uitstek een zzp’er. Kortgezegd: dit klopt niet, en het is belangrijk om te weten waarom dat zo is. 

Wat het rechtsvermoeden daadwerkelijk doet 

De maatregel introduceert een weerlegbaar rechtsvermoeden voor zzp’ers met een tarief onder ongeveer 38 euro per uur (op 1 januari 2027 gaat het om een bedrag van 39 euro per uur). Van groot belang is dat dit vermoeden dus niet automatisch ontstaat: de werkende moet eerst aantonen dat zijn beloning onder de wettelijke grens ligt. Pas als dat lukt, wordt er vermoed dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. 

Daarmee is dus geen sprake van een volledige omkering van de bewijslast. Er ontstaat eerder een verschuiving in stappen. Eerst moet de werkende het vermoeden van werknemerschap onderbouwen, beginnend bij het lage tarief. Daarna ontstaat een juridisch vermoeden dat in zijn of haar voordeel werkt. Dit betekent dus niet dat er een harde ‘tarief-kwalificatie’ komt, zoals op sociale media klinkt: gesteld wordt zoal dat zzp’ers met een uurtarief boven de 38 euro per uur bij uitstek als zzp’er worden gezien en er onder de 38 euro-grens bij uitstek sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat klopt niet: boven de 38 euro per uur kan er nog steeds sprake zijn van schijnzelfstandigheid. Tegelijkertijd is het onder de 38 euro per uur nog prima mogelijk als zzp’er te werken.

Waarom ‘weerlegbaar’ het sleutelwoord is

Het rechtsvermoeden is dus weerlegbaar. Dat betekent dat de opdrachtgever op haar beurt het vermoeden kan ontkrachten door concrete feiten en omstandigheden aan te dragen die wijzen op zelfstandigheid. 

De rechter weegt vervolgens alle omstandigheden van het geval. Denk aan de mate van gezag en aansturing, de organistorische inbedding van de werkende, het ondernemersrisico en de aard en duur van de werkzaamheden.  

Het gevolg is dus, zoals eerder aangegeven, dat er onder de 38 euro per uur gewoon sprake kan zijn van een zzp’er, want de relevante feiten en omstandigheden blijven leidend bij het beoordelen van de arbeidsrelatie. Er is dus geen automatische overgang naar het werknemerschap.  

Wat er boven de 38 euro gebeurt 

De constatering dat je boven de 38 euro ‘veilig’ bent als zzp’er is dus onjuist. Boven die grens geldt het rechtsvermoeden niet. Dat is in feite alles. Er ontstaat niet zoiets als een ‘rechtsvermoeden van zelfstandigheid. De holistische toets – gebaseerd op de gezichtspunten van het Deliveroo-arrest en de jurisprudentie die constant in ontwikkeling is – blijft exact dezelfde als nu. Dat betekent dat ook bij hogere tarieven nog steeds sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst, als de feitelijke omstandigheden daarop wijzen. Het tarief is geen doorslaggevend criterium, maar slechts één element in het geheel. 

Voor wie?  

Volgens ZiPconomy werkt een aanzienlijke groep zzp’ers onder de grens van 38 euro per uur. Zo’n 60 procent van alle zzp’ers (als ze ingehuurd worden voor 38 euro per uur) kunnen in theorie gebruikmaken van deze wet. Zo blijkt uit een rekensom van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op basis van cijfers uit de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA) van CBS en TNO. Het gaat om sectoren waar tarieven structureel lager liggen, zoals de landbouw, horeca en vervoer en opslag. 

Tegelijkertijd blijkt dat veel van deze werkenden bewust kiezen voor zelfstandigheid en niet per definitie aanspraak willen maken op alle rechten en sociale bescherming die horen bij een arbeidsovereenkomst. Dat onderstreept dat het rechtsvermoeden geen verplichting is, maar een juridisch instrument dat gebruikt kan worden. Het rechtsvermoeden verandert niet de definitie van een zzp’er of werknemer. Wie dit scherp heeft, ziet dat er weinig reden is voor paniek (of misplaatste blijdschap in het geval van zzp’ers met hogere uurtarieven.  

Op woensdag 15 april vindt er een debat plaats in de Tweede Kamer. De Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal dat debatteren over het arbeidsmarkt- en zzp-dossier.  

Vraag een vrijblijvend adviesgesprek aan

Vragen hierover? Neem contact met ons op.

Sem Overduin
Public Policy & Affairs Manager
Sem.Overduin@headfirst.nl

Oifik Youssefi
Public Affairs Officer
Oifik.Youssefi@headfirst.nl

Maaike van Driel
Head of Legal
Maaike.vanDriel@headfirst.group

Thomas ten Veldhuijs
Senior Legal Counsel
Thomas.tenVeldhuijs@headfirst.nl

Privacy Preference Center