Wat wordt de volgende stap van minister Van Gennip?

Morgenmiddag staat het Commissiedebat Arbeidsmarktbeleid gepland. Op de Kameragenda staat een aantal belangrijke onderwerpen, zoals het rapport van de Commissie Borstlap en de Hoofdlijnenbrief Arbeidsmarkt van 5 juli. In aanloop naar het debat deelt Marion van Happen graag haar visie op de huidige voorstellen die in politiek Den Haag op tafel liggen.

Allereerst wil ik benadrukken dat ik positief gestemd ben over de eerste hoofdlijnenbrief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De benoemde drie sporen – het gelijke speelveld, verduidelijking van regelgeving en het verbeteren van handhaving – zijn de juiste knoppen waaraan gedraaid moet worden. Indien deze in samenhang gezien en behandeld worden, zie ik de inhoud van deze brief als een stap in de goede richting.

Vastgelegde criteria, aangevuld met sectorale benadering
Ik ben blij dat er in de hoofdlijnenbrief aandacht is voor de Belgische Arbeidsrelatiewet. De denkwijze en onderliggende uitgangspunten bieden een mogelijkheid voor de vervanging van de wet DBA. In de Arbeidsrelatiewet zijn duidelijke wettelijke criteria vastgelegd om te bepalen of er sprake is van een werknemer of van een zelfstandige. Ook zijn op sectoraal niveau criteria vastgelegd voor sectoren en beroepen waar de kans op onderbetaling of kwetsbaar ondernemerschap het grootst is. Deze benadering vergroot de effectiviteit van handhaving en doet meer recht aan de diversiteit van zelfstandigen.

Wat handhaving ook effectiever en doelgerichter maakt, is het MLT-advies van de SER om een rechtsvermoeden van werknemerschap in te voeren onder het uurtarief van €35,-. Het voorstel van de SER maakt hiermee onderscheid tussen kwetsbare zelfstandigen en zelfredzame zelfstandigen. De Belastingdienst kan zich hiermee focussen op de sectoren en beroepen waar zzp’ers worden ingehuurd onder dit tarief. Duidelijk en wettelijk vastgelegde criteria plus een sectorale benadering zijn wat mij betreft een goed vertrekpunt.

Inbedding in de organisatie
Dan maak ik een sprongetje naar het gezagscriterium, toch wel een heet hangijzer binnen dit dossier. Naar mijn mening is dit dé kern van de discussie: wanneer mag een organisatie voor een bepaalde opdracht een zelfstandige inhuren en wanneer is er sprake van een werknemer? Om diverse redenen is de wet DBA er niet in geslaagd om deze duidelijkheid te verschaffen. Dat het kabinet dit erkent en toewerkt naar vervanging is cruciaal.

De Commissie Borstlap stelt voor om het gezagscriterium te moderniseren door ‘inbedding in de organisatie’ meer centraal te stellen in de beoordeling van de arbeidsrelatie. Ik ben er geen voorstander van om dit criterium meer gewicht te geven, omdat er al genoeg discussie is om de interpretatie wanneer er sprake is van gezag. Wanneer is een werkende ‘ingebed in de organisatie’? En welke taken horen bij ‘de reguliere werkzaamheden van een organisatie’? In de praktijk zie ik juist het tegenovergestelde gebeuren. Hybride teams met verschillende specialisten die op projectbasis werken aan oplossingen en vraagstukken die op dat moment van belang zijn voor de organisatie. Dit zijn vaak teams waar sprake is van verschillende contractvormen. De resultaten van het recent gepubliceerde onderzoek van het CBS ondersteunen dit beeld: werkgevers vinden het ‘type contract’ veel minder belangrijk dan eerder gedacht. Factoren zoals kennis, expertise en werkervaring zijn veel belangrijker. Is dit straks niet meer mogelijk als we té rigide omgaan met gezag en inbedding in de organisatie?

Grote diversiteit zzp-populatie
Daarnaast zet ik mijn vraagtekens bij het moderniseren van één algemeen gezagscriterium. In Nederland hebben we namelijk te maken met een zeer diverse zzp-populatie. Deze groep werkenden heeft uiteenlopende opdrachten, werkt voor verschillende uurtarieven en ook de duur van opdrachten is erg verschillend. Eén gezagscriterium voor deze hele doelgroep zal in mijn ogen dan ook niet gaan werken. We hebben meer maatwerk nodig.

Ook de webmodule houdt in zijn huidige vorm onvoldoende rekening met deze diversiteit. Er wordt enkel getoetst op de aspecten van het werknemerschap en er wordt onvoldoende rekening gehouden met aspecten van het zelfstandig ondernemerschap. De pijl kan daardoor maar één kant op bewegen en dat is de kant van ‘indicatie van een dienstbetrekking’.

In de recente begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid lees ik terug dat de webmodule verder wordt ontwikkeld om duidelijkheid te verschaffen over de aard van de arbeidsrelatie. Om de webmodule enigszins operationeel en betrouwbaar te maken, raad ik aan om in de vraagstelling en beoordeling ook rekening te houden met het zelfstandig ondernemerschap. Dit zal resulteren in meer balans in de beantwoording.

Eerst duidelijke regels, dan pas handhaving
Met betrekking tot handhaving lees ik terug dat per 1 januari 2025 weer gehandhaafd gaat worden. Dat handhaving opgestart dient te worden, daar ben ik het mee eens. De manier waarop en hoe dit uit wordt gerold, daarvoor zie ik nog wel wat beren op de weg. De coalitie van brancheverenigingen meldt in hun gezamenlijke brief – overigens zeer terecht – dat handhaving alleen effectief zal zijn als de spelregels en criteria aan de voorkant duidelijk vastgesteld zijn. Voor alle betrokken partijen – de Belastingdienst, intermediairs, opdrachtgevers en zzp’ers – moet dit helder zijn. Mijn oproep richting Den Haag is dan ook: pak de uitgestoken hand van de brancheverenigingen aan en ga samen met uitvoeringsorganisaties in gesprek over handhaafbare criteria. Laat ons als intermediairs een verlengstuk zijn van de uitvoerders. Wij zijn bij uitstek de partijen op de arbeidsmarkt met kennis en expertise.

De komende maanden houden wij een vinger aan de pols en blijven wij betrokken bij relevante ontwikkelingen. Eind dit jaar verwacht ik met de tweede hoofdlijnenbrief en een voortgangsbrief ‘Werken als zelfstandige’ meer duidelijkheid over de volgende stap. Als grootste HR-tech dienstverlener blijven wij uiteraard in gesprek met onze stakeholders in Den Haag en trekken we samen op met onze partners.


Minister Sociale Zaken en Werkgelegenheid zet stip op de horizon, doorpakken nu broodnodig

Minister Karien van Gennip (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) heeft de Hoofdlijnenbrief Arbeidsmarkt gedeeld met de Tweede Kamer. Hiermee wordt een volgende stap gezet in het toekomstbestendig maken van de arbeidsmarkt. Het is van belang om direct na het zomerreces duidelijke kaders te schetsen voor zelfstandigen, opdrachtgevers, intermediairs en uitvoeringsorganisaties. Donderdag 8 september staat een Commissiedebat Arbeidsmarktbeleid gepland, een geschikt moment om door te pakken op de inhoud van de brief.

Rol flex op de arbeidsmarkt

Het is goed om te lezen dat ‘flexibele arbeid een nuttige rol speelt op de arbeidsmarkt’. Die erkenning is terecht en komt overeen met de dagelijkse praktijk. De juiste mate van flexibiliteit is goed voor de arbeidsmarkt. Het biedt organisaties de mogelijkheid om soepel mee te bewegen met economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Tegelijkertijd is er, deels ten onrechte, ook aandacht voor de mindere aspecten van flexibel werk. Vanzelfsprekend is de politiek op zoek naar de juiste balans, maar daarbij dient de discussie over flexibel werk wel in perspectief geplaatst te worden met de juiste nuance. Uit de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA) 2021 blijkt onder andere dat het leeuwendeel van de flexibel werkenden, voornamelijk zelfstandig ondernemers, heel tevreden zijn over de werkomstandigheden en hier bewust voor kiest. Een feitelijke discussie is cruciaal om tot oplossingen te komen die daadwerkelijk de werkenden ondersteunen die hier behoefte aan hebben.

Arbeidsrelatiewet en SER-advies

De vervanging van de wet DBA speelt een grote rol in het zzp-dossier. Dat er in de Hoofdlijnenbrief specifiek aandacht wordt besteed aan de Belgische Arbeidsrelatiewet en het MLT-advies van de SER stemt mij positief. In eerdere position papers, rapporten en gesprekken met stakeholders in Den Haag hebben we volop ingezet op het Belgische model. Met als resultaat dat het nu op de politieke en ambtelijke agenda staat. Ook het rechtsvermoeden van werknemerschap voor kwetsbare werkenden onder het uurtarief van €35,- (MLT-advies van de SER) is een stap in de goede richting. Ik ben het eens met het standpunt van het kabinet dat het de positie van kwetsbaren op de arbeidsmarkt kan versterken. Of de Belastingdienst en het UWV het daadwerkelijk kunnen gaan uitvoeren is de vraag, want ook hierbij draait het uiteindelijk om betrouwbare en goede uitvoering.

Voldoende vrijheid het hogere segment

Als de overheid focus houdt op sectoren waar de kans op onderbetaling het grootst is, krijgt de intermediaire branche de verantwoordelijkheid om het hogere segment optimaal te laten werken. Daarvoor zijn duidelijke afspraken met zelfstandig professionals en opdrachtgevers nodig. Die samenwerking met de overheid blijf ik graag opzoeken.


8 varianten voor de vervanging van de wet DBA

Het hete hangijzer: werknemer, tenzij…

Op donderdag 30 juni debatteert de Commissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het zzp-dossier. In aanloop naar dit debat publiceerde ZiPconomy vanochtend het rapport ‘Werknemer, tenzij… 8 varianten voor de vervanging van de wet DBA’. Bomvol interessante inzichten en een helder overzicht van de verschillende varianten die op tafel liggen. “Wij hopen dat op basis van de inhoud van dit rapport een inhoudelijk en kwalitatief debat gevoerd gaat worden”, aldus Marion van Happen, CEO van HeadFirst Group.

 

Verschillende denkrichtingen bij elkaar gebracht
In Nederland wordt al lange tijd gediscussieerd over de rol en positie van zelfstandigen op de arbeidsmarkt. Het vraagstuk: wanneer is iemand die tegen betaling arbeid verricht een werknemer of zelfstandige? Eerdere kabinetten is het niet gelukt om hier helderheid over te verschaffen en meerdere plannen zijn om verschillende redenen gesneuveld. Daarnaast zijn diverse rapporten gepubliceerd met voorstellen om de discussie vooruit te helpen. Uiteenlopend van handhaving op bestaande regels tot ingrijpende wetswijzigingen.

“Dit rapport biedt een helder overzicht van alle verschillende voorstellen die de afgelopen jaren zijn gedaan om de wet DBA te vervangen. Nog belangrijker: de voor- en nadelen én consequenties voor zelfstandigen en opdrachtgevers worden nader uitgewerkt. Door deze inzichten te combineren met de juiste feiten en cijfers over zelfstandigen kan men in politiek Den Haag tot een weloverwogen besluit komen.”

 

Houd rekening met arbeidsmarktsituatie
Twee uitgewerkte varianten, waaronder het voorstel van de Commissie Borstlap om ‘inbedding in de organisatie’ leidend te maken bij het onderscheid tussen werknemer- en zzp-schap en de ABC-test uit Californië, hebben zware impact op de vrijheid van zelfstandigen en opdrachtgevers. Gezien de huidige krapte op de arbeidsmarkt is het van belang deze gevolgen niet te onderschatten. Werk- en opdrachtgevers schreeuwen om talent en trekken alles uit de kast om de huidige populatie te behouden. “Dat er duidelijke regels en kaders moeten komen wanneer iemand ingehuurd mag worden als zelfstandige, daar ben ik het helemaal mee eens. Daarentegen zijn té rigide regels niet gewenst, omdat de praktijk laat zien dat de contractvorm steeds minder bepalend wordt. Het is daarom van belang om zorgvuldig om te gaan met wet- en regelgeving omtrent werk en werkenden niet te veel te beperken in hun keuzemogelijkheid”, aldus Van Happen.

 

Belgische model goed alternatief
In het rapport wordt ook het Belgische model met de Arbeidsrelatiewet belicht. Dit model – tevens beschreven in het rapport ‘Zelfstandigheid, flexibiliteit en sociale zekerheid. Een kijkje over de grens.’ – heeft veel voordelen. Van Happen zegt hierover: “In België wordt de problematiek rondom schijnzelfstandigheid effectief bestreden door (1) een duidelijke set aan criteria te hanteren of iemand als zelfstandige een opdracht uit mag voeren, (2) meer naar de aspecten van het ondernemerschap te kijken en (3) strengere regels te hanteren in sectoren waar het risico op onderbetaling of kwetsbare werkenden groot is. Die combinatie van factoren werkt goed in België, daarom is het interessant om te onderzoeken of we in Nederland de positieve aspecten over kunnen nemen en de minder goede aspecten kunnen verbeteren.”

De wetgeving in België is inmiddels ook opgemerkt in de Nederlandse politiek. Tijdens het debat over arbeidsmarktbeleid op 13 april verwees minister Karien van Gennip expliciet naar de situatie bij de Zuiderburen en Kamerleden Smals (VVD) en Palland (CDA) vroegen hier eerder ook aandacht voor.

En nu?
Vooralsnog is het niet duidelijk wat de volgende stap gaat zijn van minister Van Gennip. Vorige week donderdag werden Kamervragen over handhaving van de wet DBA beantwoord door de minister. Voor de zomer gaat er een hoofdlijnenbrief naar de Tweede Kamer over de uitwerking van het arbeidsmarktpakket. Tot slot zal er voor het ZZP debat op 30 juni nog een reactie komen op het rapport van de Algemene Rekenkamer. HeadFirst Group volgt de ontwikkelingen op de voet en blijft nauw in contact met Kamerleden en beleidsmedewerkers.

Het volledige rapport is hier gratis te downloaden.


Haagse update: richtlijnen vanuit de EU en een hoofdlijnendebat over de arbeidsmarkt

Het nieuw kabinet is inmiddels al een tijd van start, er ligt een ambitieus coalitieakkoord op tafel en de nieuwe bewindspersonen zijn inmiddels redelijk ingewerkt. Dat is te merken in Den Haag. Ambtenaren zijn druk bezig met het schrijven van beleidsplannen en ook de Tweede Kamer gaat weer regelmatig met elkaar in debat. Een mooi moment om jullie even kort mee te nemen in de belangrijkste gebeurtenissen en ontwikkelingen van de afgelopen weken.

EU-voorstel platformwerk

Het is duidelijk dat Brussel zich steeds nadrukkelijker gaat bemoeien met nationale aangelegenheden en vraagstukken. Niet geheel verrassend kwam vorig jaar december de Europese Commissie met een voorstel om platformwerkers beter te beschermen. Het geduld met Uber en Deliveroo is in Brussel al geruime tijd op en in de nieuwe richtlijn eist de Europese Commissie dat platformwerkers dezelfde rechten en plichten krijgen als werknemers. Aangezien het vraagstuk omtrent platformwerk in meerdere Europese landen speelt, pakt Brussel nu de handschoen op om met duidelijke richtlijnen en criteria te komen die verheldering moeten brengen over de kwalificatie van de arbeidsrelatie.
In het voorstel worden vijf criteria opgesteld om te bepalen of er sprake is van werknemerschap of zzp-schap. Deze zijn als volgt:
1. Het platform bepaalt de beloning van de werkende;
2. Het platform stelt eisen aan het uiterlijk van de werkende (hij moet bijvoorbeeld een uniform dragen);
3. Het platform monitort de prestaties van de werkende via digitale middelen;
4. Het platform bepaalt de werktijden;
5. Het platform beperkt de mogelijkheden van de werkende om voor anderen te werken.

Mocht in de praktijk blijven dat er sprake is van twee of meer criteria, dan is het aan het platform om te bewijzen dat er toch sprake is van een zzp’er in plaats van een werknemer. Volgens berekeningen van de Europese Unie zal dit grote gevolgen hebben voor de Nederlandse schatkist, omdat geprofiteerd kan worden van miljarden aan belastingopbrengsten en sociale zekerheidspremies.

Nu zijn er wel wat fundamentele vragen die gesteld moeten worden bij dit voorstel en de hele discussie omtrent platformwerk. Want wat is nou eigenlijk de definitie van een platform? En gaat dit voorstel alleen over de aanpak van schijnzelfstandigheid bij platformwerkers, of gaat dit voorstel over de bemiddeling en classificatie van zelfstandigen in zijn algemeenheid? Afgelopen weken werd in ieder geval duidelijk dat alle politieke partijen het er over eens zijn dat dit voorstel effect gaat hebben op het zzp-vraagstuk in Nederland. De discussie wanneer er sprake is van een échte zzp’er speelt al langer in Nederland en vele pogingen om hier helderheid over te verschaffen zijn inmiddels gestrand en in de ijskast gezet. Die vermoeidheid is een extra reden om alert te zijn, omdat Den Haag niet te makkelijk akkoord moet gaan met dit voorstel en duidelijk de grens moet bewaken tussen kwetsbare platformwerkers en échte zelfstandigen. De kans is aannemelijk dat publieke rechtelijke instanties zoals de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie deze criteria mogen gaan gebruiken om het vermoeden van werknemerschap te gaan toetsen en handhaven. Dat geeft direct aan dat het voorstel zich niet enkel richt op het beschermen van de kwetsbare platformwerker, maar dat het ook publiekrechtelijke instanties handvatten geeft om te starten met handhaving. We zullen daarom de ontwikkelingen op de voet moeten volgen en in een zo vroeg mogelijk stadium Kamerleden op de hoogte brengen van onze belangen en zorgen.

Hoofdlijnendebat Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Op donderdag 17 februari ging de Kamercommissie Sociale Zaken en Werkgelegenheid in debat met de nieuwe ministers van SZW over de plannen uit het coalitieakkoord. Diverse thema’s kwamen in het debat aan bod en met 19 fracties ging het af en toe alle kanten op. Gelukkig was er tijdens het debat ook aandacht voor thema’s die voor ons van belang zijn, zoals de webmodule, het handhavingsmoratorium en duidelijkheid omtrent de inhuur van zelfstandigen.

Voorafgaand aan het debat hebben we als HeadFirst Group input geleverd en aan verschillende Kamerleden gevraagd om meer duidelijkheid te scheppen over de verdere ontwikkeling van de webmodule en handhaving van de wet DBA. Het was goed om te zien dat partijen hier tijdens het debat op terugkwamen. De markt snakt na al die jaren naar duidelijke en uitvoerbare regels.

Alhoewel de minister niet direct antwoord gaf op onze vragen waren er zeker wat lichtpuntjes. Zo gaf de minister zelf aan dat slechts een klein percentage werkenden op de arbeidsmarkt een ‘kwetsbare zzp’er’ is en dat we ons vooral moeten richten op die sectoren waar de kans op schijnzelfstandigheid het grootst is. Dit heeft raakvlak met het Belgische model waar we eerder een rapport over schreven met ZiPconomy en ONL en ook pleiten we al langer voor sectorale handhaving. Ook heeft de minister beloofd om voor de zomer met een ‘breed plan’ te komen over de hervorming van de arbeidsmarkt en dit in een brief uiteen te zetten en te delen met de Tweede Kamer.


Internetconsulatie 'Wet minimumbeloning zelfstandigenverklaring' gestart

Maandag 28 oktober jl. hebben minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, staatssecretaris Snel van Financiën en staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat een internetconsultatie aangekondigd. Het gaat om twee onderdelen uit de voorstellen die door het kabinet zijn aangekondigd ter vervanging van de Wet DBA; het minimumtarief van zelfstandigen en de zelfstandigenverklaring.

Maatregelen per 1 januari 2021

De eerste maatregel heeft betrekking op de onderkant van de markt en houdt in dat zzp’ers minimaal €16,- per uur moeten verdienen. Dit minimumtarief geldt voor alle uren die een zzp’er aan een opdracht besteedt. Hierbij is rekening gehouden met de besteding aan overige werkzaamheden, bijvoorbeeld administratie. Directe kosten, zoals materiaal, zijn exclusief. Zzp-ers die minder verdienen dan het minimumtarief worden niet beschouwd als zelfstandigen, maar als werknemers van de opdrachtgever.

De tweede maatregel is de zelfstandigenverklaring. Deze is bedoeld voor zelfstandigen met een tarief van minimaal € 75,-. Hiermee kunnen zij vooraf met de opdrachtgever afspreken dat ze als zelfstandige werken. Om de zelfstandigenverklaring te kunnen gebruiken, is een inschrijving bij de Kamer van Koophandel nodig. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, lopen zelfstandigen en opdrachtgevers maximaal een jaar geen risico op naheffing loonheffing en sociale premies. Daarnaast krijgen zij zoveel mogelijk zekerheid over arbeidsrechtelijke gevolgen.

Webmodule niet opgenomen

De webmodule, die zelfstandigen in overige gevallen kunnen gaan gebruiken, staat niet in dit conceptwetsvoorstel genoemd. Daar is namelijk geen wetswijziging voor nodig. Wel zijn de vragen uit de webmodule getoetst bij opdrachtgevers en brancheorganisaties. Doordat op de conceptversie veel kritiek werd geleverd, is de ingangsdatum van 1 januari 2020 uitgesteld. Het verwerken van de feedback kost niet alleen veel tijd, maar maakt de ontwikkeling van de webmodule een nog ingewikkeldere puzzel.

Internetconsultatie

De internetconsultatie houdt in dat het conceptwetsvoorstel zes weken – tot maandag 9 december – open staat voor reacties. Aan de hand van deze feedback kan het wetsvoorstel gereed worden gemaakt voor advies van de Raad van State en vervolgens voor de indiening aan de Tweede Kamer. De internetconsultatie vind u hier.


Stop met de webmodule: tijd voor hervormen in plaats van pleisters plakken

Afgelopen maandag heeft demissionair minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer geïnformeerd middels de zevende voortgangsbrief ‘Werken als zelfstandige’. In deze brief wordt speciaal aandacht besteed aan de pilotresultaten van de webmodule, de online tool waarmee opdrachtgevers kunnen bepalen of ze voor een bepaalde opdracht een zzp’er kunnen inhuren. In korte tijd kwam vanuit brancheverenigingen, zzp-belangenorganisaties en vakbonden de nodige kritiek op de uitkomsten. Voor verdere besluitvorming en eventuele voortzetting van de webmodule ligt de bal bij het nieuwe kabinet.

HeadFirst Group is van mening dat het onverstandig is de webmodule verder te ontwikkelen. In een eerdere fase van de webmodule is door juridische experts al de nodige kritiek geuit op het instrument. Nu laat de evaluatie van de pilot zien dat in 28,4% van de gevallen de webmodule geen oordeel kan geven over de aard van de arbeidsrelatie. “De webmodule biedt helaas niet de helderheid en duidelijkheid waar opdrachtgevers en zp’ers al jaren om vragen. Een nieuw kabinet doet er verstandig aan de webmodule niet verder te ontwikkelen. Voer echte hervormingen door in plaats van enkel pleisters te plakken”, aldus Han Kolff.

Huidige webmodule niet geschikt voor tussenkomst
In de brief laat Koolmees weten dat de vragenlijst die specifiek bedoeld is voor situaties van tussenkomst nog niet is afgerond. Dit betekent dat de webmodule niet geschikt is voor zelfstandigen die werken via een intermediair. De meest recente Zelfstandigen Enquête Arbeid laat zien dat ongeveer 8% van de categorie ‘zzp-eigen arbeid’ opdrachten of klanten heeft via een intermediair. Mocht de webmodule daadwerkelijk ingevoerd worden, dan dient eerst in goed overleg met intermediairs en brancheverenigingen overeenstemming gevonden te worden over de inhoud en vorm van een vragenlijst voor situaties van tussenkomst. De Bovib, de brancheorganisatie voor intermediairs en brokers waar ook HeadFirst Group is aangesloten, laat via haar eigen website weten dat de gesprekken met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stroef verlopen.

Tijd voor serieuze hervormingen
Een nieuw kabinet moet serieus werk maken van de vraagstukken en uitdagingen op de arbeidsmarkt. “De webmodule moet geen regeldruk en onzekerheid opleveren. De bovenkant van de flexmarkt, bestaande uit bewuste en autonome zelfstandig ondernemers, functioneert veel beter als wet- en regelgeving echt ruimte geeft om te ondernemen. Deze groep maakt in volle tevredenheid duidelijke afspraken met opdrachtgevers en intermediairs.”

Uit de evaluatie van de pilot komt naar voren dat in bepaalde sectoren, zoals de horeca, transport en bouwnijverheid, de kans op een uitkomst ‘indicatie dienstbetrekking’ het grootst is. In deze sectoren werken relatief meer kwetsbare zelfstandigen met lagere uurtarieven. “Het advies van de SER om bij inhuurafspraken onder de €35,- per uur strenger te handhaven is een goed uitgangspunt. Toezicht en handhaving moet zich richten op sectoren waar misbruik wordt gemaakt van oneigenlijke zzp-constructies. Vertrouw erop dat aan de bovenkant van de markt professioneel en goed wordt samengewerkt tussen opdrachtgevers en zelfstandig professionals, waarbij intermediairs een rol spelen om conform wet- en regelgeving te werken.”

Tot slot pleit Kolff voor een brede coalitie van maatschappelijke partijen om met elkaar in gesprek te gaan en na te denken over een sociaal basisstelsel voor alle werkenden, bijvoorbeeld voor de gevolgen van arbeidsongeschiktheid. Eerder onderzoek van HeadFirst Group heeft laten zien dat er draagvlak bestaat voor zo’n stelsel onder zelfstandig professionals. “Wij omarmen nog steeds het idee van een sociaal basisstelsel voor alle werkenden op het gebied van arbeidsongeschiktheid, zoals voorgesteld door de Commissie Borstlap en het Sociaal Akkoord van ONL, VZN en AVV. Als we zekerheden creëren rondom het individu in plaats van de contractvorm, dan zal de ‘druk’ op de kwalificatievraag afnemen.” Het creëren van een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen heeft het kabinet al ingezet door de zelfstandigenaftrek verder en versneld af te bouwen.


Zevende voortgangsbrief ‘Werken als zelfstandige’: webmodule naar volgend kabinet, beperkte handhaving verlengd

Op maandag 20 september hebben de demissionair minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de demissionair staatssecretaris van Financiën de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken en de vervolgstappen ten aanzien van de in het regeerakkoord voorziene maatregelen op het gebied van ‘werken als zelfstandige’. In deze brief wordt speciaal aandacht besteed aan de pilot van de webmodule en de vraag welk vervolg wordt gegeven aan deze online tool. Ook wordt aandacht besteed aan het handhavingsmoratorium en wordt kort ingegaan op overige relevante maatregelen.

Evaluatie pilot webmodule

Op 11 januari 2021 is de pilot van de webmodule gestart, een online vragenlijst die opdrachtgevers anoniem kunnen invullen om zo meer duidelijkheid te krijgen over de aard van de arbeidsrelatie. De webmodule is gericht op zakelijke opdrachtgevers die een zzp’er inhuren voor een bepaalde opdracht. De webmodule is ruim 6600 volledig ingevuld. Het geheel van de uitkomsten is als volgt verdeeld:

  • In 33,9% van de gevallen is aan de hand van de ingevulde vragenlijst een indicatie van een dienstbetrekking gegeven;
  • In 9,7% van de gevallen een indicatie van een fictieve dienstbetrekking;
  • In 28% van de gevallen een indicatie buiten dienstbetrekking;
  • En in 28,4% van de gevallen kon geen indicatie worden gegeven.

Tussen sectoren zijn grote verschillen zichtbaar in de uitkomsten van de webmodule. Zo ligt in de sectoren bouwnijverheid, horeca en transport de uitkomst ‘indicatie binnen dienstbetrekking’ procentueel gezien vele malen hoger dan de sectoren openbaar bestuur en zakelijke dienstverlening.

Eerder is al aangegeven dat een volgend kabinet moet besluiten of de webmodule daadwerkelijk wordt ingevoerd en zo ja, welke status de uitkomst krijgt (wel of geen juridische zekerheid). Voorafgaand aan besluitvorming wordt nog een toets gedaan op de uitvoeringsgevolgen voor zowel de variant waarin de webmodule enkel wordt ingezet als voorlichtingsinstrument als voor de variant waarin deze (meer) zekerheid moet bieden aan opdrachtgevers.

Vragenlijst voor tussenkomst nog niet afgerond

In een eerdere voortgangsbrief is aangekondigd dat ook een vragenlijst ontwikkeld gaat worden die specifiek bedoeld is voor situaties van tussenkomst. In de nieuwste brief geven de bewindspersonen aan dat het complex is gebleken om voor deze situaties een vragenlijst op te stellen. De vragenlijst voor tussenkomst is om die reden nog niet afgerond. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geeft in de brief aan verder in gesprek te willen met vertegenwoordigers van de tussenkomstbranche om verder door te spreken over de mogelijkheid van een webmodule voor tussenkomst. Desalniettemin hebben de betrokken organisaties AWVN, PZO, Bovib, NBBU en I-ZO laten weten dat het geen zin heeft om verder te praten over deze of andere varianten van de webmodule.

Toezicht en handhaving

De Belastingdienst houdt toezicht op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen. Dit toezicht is, zoals eerder aangegeven in vorige voortgangsbrieven, een complexe aangelegenheid. Voor een effectieve handhaving is eerst een wijziging van wet- en regelgeving nodig. Meer concreet betekent dit het verkleinen van de verschillen tussen werknemers en zelfstandigen (voor het arbeidsrecht, de sociale zekerheid en fiscaliteit) en het geven van meer duidelijkheid over de kwalificatie van de arbeidsrelatie.

Verder wordt duidelijk dat – in lijn met de motie Grinwis van vlak voor het zomerreces – het moratorium niet afloopt per 1 oktober 2021, maar dat het minimaal tot 1 oktober 2021 loopt en dat in afwachting van verdere besluitvorming handhaving niet wordt opgestart. De Belastingdienst handhaaft nog wel bij kwaadwillende opdrachtgevers.

Voortgang verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers

Het kabinet heeft eerder aangegeven het voorstel van de Stichting van de Arbeid te omarmen, mits dit op een uitvoerbare en betaalbare wijze kan worden vormgegeven. De Belastingdienst en het UWV hebben eerder kritiek geuit op de plannen gezien de complexiteit en (on)haalbaarheid. Samen met maatschappelijke partners wordt momenteel verder gewerkt aan de uitwerking en vormgeving van een dergelijke verzekering. Gezien de demissionaire status van het kabinet en de controversieel-verklaring van dit onderwerp door de Tweede Kamer wordt verdere besluitvorming overgelaten aan het volgende kabinet.

Tot slot

De inzet van het kabinet was de afgelopen jaren duidelijk; échte zelfstandigen zoveel mogelijk de ruimte geven om te ondernemen en tegelijkertijd kwetsbare zelfstandigen bescherming bieden. Zoals eerder duidelijk is geworden zijn de voorstellen van een wettelijk minimumtarief voor zelfstandigen en een zelfstandigenverklaring niet gerealiseerd.

Daarentegen heeft het kabinet wel stappen gezet om een gelijker fiscaal speelveld te creëren tussen werknemers en zelfstandigen door de ingezette geleidelijke afbouw van de zelfstandigenaftrek. Dit betekent dat de zelfstandigenaftrek in stappen omlaag gaat tot €3240 in 2036.

Ook de toegankelijkheid van scholing en ontwikkelingsmogelijkheden moet bijdragen aan een gelijker speelveld. Op Prinsjesdag is aangekondigd dat de Subsidie Stimulans Arbeidsmarkt Positie (STAP) ook beschikbaar wordt voor zelfstandig ondernemers. Werkenden en niet-werkenden kunnen maximaal €1000 per persoon aanvragen voor opleidingen, cursussen en trainingen.


HeadFirst Group en Stichting ONL voor ondernemers trekken samen op

HeadFirst Group en ONL voor Ondernemers slaan per 1 maart de handen ineen. Vorige week ondertekenden Gert-Jan Schellingerhout, CEO HeadFirst Group, en Mike Korenvaar, CFO HeadFirst Group, samen met ONL-voorzitter Hans Biesheuvel de samenwerkingsovereenkomst. Beide partijen gaan samen optrekken voor een eerlijke flexibele arbeidsmarkt waarin inhuurders en aanbieders van kennis – en organisaties die hen verbinden – de ruimte hebben om te ondernemen. Het monitoren en positief beïnvloeden van arbeidsmarktwetgeving, met de vervanging van de Wet DBA voorop, is hierbij een speerpunt.

Wegwijs in politiek Den Haag

ONL, gevestigd in het hartje van Den Haag en op steenworp afstand van het Binnenhof, is als onafhankelijke stichting de schakel tussen HeadFirst Group en de Haagse politiek. “In de loop der jaren heeft ONL een groot netwerk van politici, ambtenaren en beleidsmedewerkers opgebouwd. Het kantoor in Den Haag biedt de mogelijkheid ‘dichtbij het vuur’ te zijn en met beleidsmakers in gesprek te gaan. Daarnaast verzorgt ONL de politieke monitoring, zodat wij als organisatie op de hoogte blijven van relevante ontwikkelingen. Een goede vervolgstap in onze public affairs en lobby-strategie”, aldus Schellingerhout. “Tevens denken wij met onze kennis, data en relaties met tienduizenden opdrachtgevers, leveranciers en zelfstandigen van toegevoegde waarde te zijn voor ONL. We gaan ons samen inzetten voor het hogere doel: ondernemers de ruimte geven.”

Over ONL voor Ondernemers

ONL voor Ondernemers heeft als doel Nederland samen ondernemender te maken. De ondernemersorganisatie laat de stem van de ondernemer horen door te lobbyen, problemen aan te kaarten en oplossingen voor te leggen op onderwerpen waar ondernemers last van hebben. ONL treedt kritisch op tegen rammelende wetgeving, zoals de Wet DBA en Wet Werk en Zekerheid, maar niet zonder daar een goed doordacht alternatief tegenover te zetten waar ondernemers wél bij gebaat zijn.


Periode van beperkte handhaving wet DBA eindigt niet 1 oktober 2021

Vorige week donderdag kwam de Tweede Kamer vlak voor het zomerreces voor de laatste keer bijeen om in debat te gaan met demissionair staatssecretaris Vijlbrief (Financiën). Rond middernacht diende Kamerlid Pieter Grinwis (ChristenUnie) een motie in met het verzoek aan het kabinet om op korte termijn meer duidelijkheid te verschaffen over het handhavingsmoratorium – de periode van beperkte handhaving – en de wet DBA. Met een ruime meerderheid voor de motie liet de Kamer weten de inhoud van de motie te steunen en eerst een ‘redelijk en handhaafbaar alternatief voor de wet DBA’ te willen hebben alvorens te starten met de handhaving op schijnzelfstandigheid. Vijlbrief wilde hierop graag iets verhelderen: “Het handhavingsmoratorium loopt niet af in oktober. Het loopt minimaal tot oktober en dan zullen we kijken wat we gaan doen.” Hierin klinkt door dat de beperkte handhaving wordt verlengd tot er duidelijkheid is over een alternatief voor de wet DBA, een geruststelling voor opdrachtgevers, zp’ers en intermediairs.

 

Onrust in media

De afgelopen weken verschenen diverse berichten in de pers over onduidelijkheid rondom de wet DBA. ZZP Nederland en PZO stuurden op 17 juni j.l. een brandbrief naar Vijlbrief om op korte termijn een besluit te nemen over het handhavingsmoratorium. Ook toonde onderzoek van HeadFirst Group aan dat opdrachtgevers vanwege het naderende einde van het handhavingsmoratorium risicomijdend gingen handelen en kritischer keken naar de inhuur van zelfstandig professionals, hierdoor opdrachten van zp’ers voortijdig werden beëindigd en zp’ers steeds moeilijker opdrachten konden vinden. Die onrust en onzekerheid is – zeker nu de Nederlandse economie weer in de startblokken staat – verre van gewenst, voor zowel zp’ers, opdrachtgevers als intermediairs.

 

Goede stap van Vijlbrief

Het handhavingsmoratorium van de wet DBA loopt in ieder geval niet af per 1 oktober 2021. Het kabinet is voornemens te wachten op de resultaten van de pilot van de webmodule, alvorens een uitspraak te doen over het handhavingsmoratorium en de invoering van nieuwe wet- en regelgeving. Dit is in lijn met de eerdere voortgangsbrief ‘Werken als zelfstandige’, waarin is aangegeven dat ‘de afbouw van het handhavingsmoratorium gekoppeld zal worden aan de invoering van nieuwe wetgeving, die meer duidelijkheid biedt over de aard van de arbeidsrelatie. Ook zal de markt voldoende de tijd krijgen om te wennen aan nieuwe maatregelen.’

Het blijft wachten op een helder en handhaafbaar alternatief voor de wet DBA, maar voor nu zijn we blij dat de staatssecretaris de signalen heeft ontvangen en dit besluit heeft genomen. Han Kolff, CEO bij HeadFirst Group, is tevreden en opgelucht: “Uit signalen die wij ontvingen van opdrachtgevers en zp’ers bleek dat men echt toe was aan duidelijkheid en besluitvorming vanuit Den Haag. Ons onderzoek benadrukte dit met feiten en cijfers. Het is een verstandige keuze dat het handhavingsmoratorium van kracht blijft totdat meer duidelijk is over de resultaten van de webmodulepilot  en vervangende wetgeving voor de wet DBA. Dit biedt de markt meer tijd te wennen aan nieuwe maatregelen, geeft zzp’ers meer zekerheid om te ondernemen en geeft de politiek de tijd om na te denken op welke wijze handhaving het beste kan gaan plaatsvinden. Fijn dat deze rust gecreëerd wordt en dat we met elkaar kunnen gaan bouwen aan nieuwe wet- en regelgeving.”


Zzp’ers missen opdrachten door sluimerend DBA-vraagstuk

Meer dan de helft van de hoogopgeleide zzp’ers vindt moeilijker opdrachten sinds de invoering van de wet DBA in 2016, destijds geïntroduceerd om juist kwetsbare zelfstandigen beter te beschermen. Dit blijkt uit een onderzoek van HR-dienstverlener HeadFirst Group, waar ruim 1700 zelfstandig professionals (zp’ers) onlangs aan hebben deelgenomen. “Het is noodzakelijk dat de politiek direct de huidige periode van beperkte handhaving verlengt om verdere negatieve gevolgen voor hoogopgeleide zp’ers en opdrachtgevers te voorkomen”, zo stelt Han Kolff, CEO bij HeadFirst Group.

Onduidelijkheid over wet DBA hindert steeds meer opdrachtgevers en zp’ers
Sinds de invoering van de wet DBA is er veel over te doen. Na invoering werd de wet al snel bevroren, doordat in korte tijd veel onrust ontstond bij opdrachtgevers, die minder zp’ers gingen inhuren. Sindsdien wordt aan nieuwe wetgeving gewerkt en geldt ondertussen een beperkt handhavingsbeleid. Naar nu blijkt uit het onderzoek van HeadFirst Group zijn de negatieve effecten van de wetgeving voor zp’ers nog altijd aanwezig en nemen deze zelfs toe.

Meer dan 55 procent van de zelfstandig professionals ervaart dat opdrachtgevers bij de inhuur van externen nu kritischer naar zp’ers kijken dan een jaar geleden, zo blijkt uit het onderzoek. Recente voorbeelden in de pers van opdrachtgevers die hun zp-inhuur streng onder de loep nemen, ondersteunen dit beeld. In de praktijk is te zien dat bij opdrachten waar opdrachtgevers een externe professional voor zoeken, steeds vaker wordt aangegeven ‘op deze opdracht mag geen zp’er reageren’. Dit maakt het voor meer dan de helft van de zp’ers moeilijker opdrachten te vinden, zo blijkt. Momenteel ondervinden dus honderdduizenden zp’ers hinder. Dit komt bovenop de zp’ers, bijna 40 procent, waarvan de afgelopen jaren een opdracht voortijdig is beëindigd door de opdrachtgever vanwege zorgen en onduidelijkheid rondom de wetgeving.

Han Kolff, CEO bij HeadFirst Group: “Dat opdrachtgevers kritisch kijken naar de inhuur van zp’ers voor rollen waar wellicht iemand in vaste dienst logischer zou zijn, is goed. Maar er is geen reden tot paniekvoetbal, aangezien er vervangende wetgeving gaat komen. De datum van 1 oktober 2021 – het moment waarop de huidige beperkte handhaving eindigt – komt echter dichterbij, wat ervoor zorgt dat veel organisaties de broekriem rondom zp’ers aantrekken. Dit was te verwachten. Grote opdrachtgevers handelen risicomijdend en geef ze eens ongelijk. De sleutel ligt bij de politiek.”

Oplossing: continueer handhavingsstop
De negatieve gevolgen zijn tweeledig: zp’ers zien werk verdampen en opdrachtgevers, die het door schaarste op de arbeidsmarkt al moeilijk hebben goede professionals te werven, dreigen een belangrijke doelgroep met waardevolle kennis buitenspel te moeten zetten. Han Kolff: “Als intermediair op de arbeidsmarkt kunnen wij ons aanpassen aan wetgeving en wensen van klanten, maar opdrachtgevers en zp’ers – onze klanten – ondervinden wel direct hinder van de huidige situatie. Wij komen op voor de belangen van onze klanten.”

De SER opperde onlangs te handhaven onder de grens van 30 à 35 euro. Kolff: “Een prima grens, wat de professionals boven die grens – en de opdrachtgevers die hen inhuren – rust en ruimte geeft om te ondernemen. Mijn oproep namens opdrachtgevers en zp’ers: continueer de huidige beperkte handhaving tot het moment dat er nieuwe, duidelijke wetgeving is vanuit een nieuw kabinet. En pak daar nu mee door, naar die duidelijkheid snakt de markt al jaren.”

Over HeadFirst Group
HeadFirst Group is een toonaangevende, internationale HR-dienstverlener en specialist op het gebied van het professioneel organiseren van vaste en flexibele arbeid. De organisatie biedt een diversiteit aan HR-oplossingen: Managed Service Providing, Recruitment Process Outsourcing, intermediaire dienstverlening (matchmaking, contracting) en HR-consultancy. Er werken dagelijks gemiddeld vijftienduizend professionals bij ruim vierhonderd opdrachtgevers in Europa, waarmee HeadFirst Group een jaaromzet realiseert van meer dan 1,5 miljard euro. De belangrijkste merken van HeadFirst Group zijn de intermediairs HeadFirst, Between en Myler, MSP-dienstverlener Staffing Management Services en RPO- en recruitment specialist Sterksen.

Noot voor de redactie
Alle uitkomsten van het onderzoek zijn samengebracht in een infographic.

Heeft u vragen of opmerkingen naar aanleiding van dit persbericht? Neem gerust contact op met Bart van der Geest, manager marketing & communicatie bij HeadFirst Group, te bereiken op 023 – 568 56 30 of bart.vandergeest@headfirst.nl.